Duidelijkheid over verjaringstermijn schuldvorderingen inzake gas, elektriciteit en water

Duidelijkheid over verjaringstermijn schuldvorderingen inzake gas, elektriciteit en water

Er is heel wat inkt gevloeid over de verjaringstermijn van schuldvorderingen die betrekking hebben op de levering van water, gas en elektriciteit.

De meerderheid van de bodemrechters oordeelde dat schuldvorderingen voor de levering van water, elektriciteit en gas verjaren na vijf jaar voor zover ze met de periodiciteitsvoorwaarden van artikel 2277 B.W. betaalbaar zijn.

Sinds het arrest van het Hof van Cassatie van 8 januari 2015 wordt er door sommigen gepleit voor de toepassing van de eenjarige verjaringstermijn van artikel 2272, tweede zinsdeel, B.W. op de vorderingen tot betaling van facturen voor levering van energie aan huishoudelijke klanten.

In het recente wetsontwerp dat door de federale regering werd ingediend op 16.01.2017 bij de Kamer van Volksvertegenwoordigers, de zogenaamde POTPOURRI V, wordt een uitvoerige argumentatie opgenomen waarom wel degelijk de vijfjarige verjaringstermijn van toepassing is (http://www.dekamer.be/flwb/pdf/54/2259/54K2259001.pdf).

De redenering die in dit wetsontwerp werd ontwikkeld werd reeds bevestigd in de rechtspraak, meer bepaald in een recent vonnis van de Vrederechter van het kanton Brasschaat van februari 2017.

De eenjarige verjaringstermijn, voorzien in artikel 2272 B.W., beoogt voornamelijk contante betalingen die geen sporen nalaten, noch van hun ontstaan noch van hun tenietgaan.

De eenjarige verjaringstermijn is dan ook geenszins van toepassing op schuldvorderingen voor de levering van elektriciteit, water of gas waarvoor een overeenkomst wordt opgesteld gevolgd door facturen. Dergelijke schuldvorderingen laten wel degelijk “schriftelijke sporen” na. Bovendien worden de betalingen meestal via bancaire weg uitgevoerd.

Het wetsontwerp vestigt tevens de aandacht op een onrechtvaardige discriminatie die een eenjarige verjaringstermijn met zich zou meebrengen, meer bepaald:

“Dit zou immers betekenen dat de minder gewetensvolle consument, die op geen herinneringsbrief of ingebrekestelling reageert, voordeliger behandeld zou worden dan de klant die een afbetalingsplan vraagt om zijn schuld te betalen en die op deze manier erkent dat hij zijn schuld nog niet betaald heeft. Er wordt unaniem aanvaard dat de gerechtelijke of buitengerechtelijke bekentenis van niet-betaling, uitdrukkelijk of stilzwijgend, het wettelijke vermoeden van de korte verjaring annuleert.”

Daarenboven zou een eenjarige verjaringstermijn voor de levering van gas, water of elektriciteit een onredelijke toestand met zich meebrengen gelet op de eigenheden en specifieke situatie van nutsbedrijven:

“Deze termijn houdt, in tegenstelling tot de vijfjarige verjaringstermijn, vooreerst geen rekening met de specifieke berekeningsmethode en facturatiemethode van het verbruik binnen de water- en energiemarkt. Het verbruik wordt in twee stappen gefactureerd: naast de maandelijkse of driemaandelijkse facturen, de tussentijdse facturen, komt een jaarlijkse afrekening die het reële verbruik van de klant betreft. De leverancier kan de jaarlijkse afrekening pas opmaken nadat hij de meteropname heeft ontvangen.”

Er wordt aldus op correcte manier een einde gesteld aan de onduidelijkheid over de toepassing van artikel 2272, tweede zinsdeel, B.W.